Categoriearchief: Gesubsidieerde onderzoeken

Externe validatie van drie voorspellende modellen voor het risico op hart- en vaatziekten in de eerste lijn in Nederland.

Dr. M.C.J. Biermans

Externe validatie van drie voorspellende modellen voor het risico op hart- en vaatziekten in de eerste lijn in Nederland

Preventieve behandelingskeuzes voor hart- en vaatziekten (HVZ) worden doorgaans gebaseerd op voorspellende modellen en gepresenteerd als risicotabellen. In Nederland is de risicotabel voor het 10-jaarsrisico op fatale en non-fatale HVZ gebaseerd op het Systematic COronary Risk Evaluation (SCORE. Het Framingham model is een ander veelgebruikt model.

Toepassing van deze modellen in een andere populatie of een andere tijdsperiode vereist een gecompliceerde aanpassing van het model. Onlangs is een nieuw model, Globorisk, ontwikkeld dat, in vergelijking met SCORE-NL en Framingham, eenvoudiger geüpdate kan worden.

Doelstelling(en) onderzoeksproject: Het bepalen en vergelijken van de externe validiteit van de predictiemodellen Globorisk, SCORE-NL en Framingham in Nederlandse patiënten in de eerste lijn.

“Welke biomarkers zijn nuttig bij de diagnostiek van TIA in de huisartspraktijk?”

Dr. F.H. Rutten

Een ‘transient ischaemic attack (TIA)’ is een kortdurende doorbloedingsstoornis in de hersenen. Het is te beschouwen als een ‘waarschuwingsherseninfarct’ waarbij er nog geen blijvende hersenschade is opgetreden en de klachten en verschijnselen zonder restverschijnselen verdwijnen binnen 24 uur. Een TIA kan beschouwd worden als ‘een waarschuwing’ die onbehandeld kan leiden tot een herseninfarct binnen enkele dagen tot weken. Indien wel behandeld met bloedplaatjesremmers, bloeddrukverlagers en cholesterolverlagers kan dit risico met 80% afnemen!

Herkennen van een TIA is dan ook erg belangrijk.

Dit is echter moeilijk voor zowel patiënt als arts, omdat klachten en verschijnselen abrupt beginnen en vaak slechts enkele minuten aanwezig zijn. De patiënt zoekt bijna altijd eerst contact met de huisarts en deze heeft momenteel niet meer ter beschikking dan het verhaal van de patiënt aangevuld met gerichte vragen (anamnese) en het lichamelijk onderzoek. Zoals gezegd zijn vaak de klachten en verschijnselen verdwenen op het moment van het eerste onderzoek. Indien de huisarts denkt aan een TIA, zal hij/zij de patiënt verwijzen naar een TIA-poli. Aldaar zullen ze ook de anamnese afnemen en de hersenen in beeld brengen. Bij beeldvorming is nog geen schade te zien in geval van een TIA, wel als het een herseninfarct betreft.

Dus ook voor de neuroloog is de diagnose TIA moeilijk te stellen. Soms is dan ook de conclusie ‘mogelijk TIA’ of ‘waarschijnlijk TIA’.

Een bloedmerkstof (biomarker) die helpt om de diagnose met meer zekerheid te stellen, zou dan ook enorm behulpzaam zijn voor zowel huisarts als neuroloog op de TIA-poli.

Vraagstelling: Wat is de (toegevoegde) diagnostische waarde van bloedmerkstoffen bij patiënten die door de huisarts worden verdacht van een TIA?

We willen dit nagaan bij 206 patiënten verdacht van een TIA die we al ‘in kaart hebben gebracht’ en van wie we bloed hebben verzameld. Het oordeel van een panel van 3 expert neurologen is de ‘gouden standaard’. Volgens hen had 61% werkelijk een TIA en 39% niet.

Met ons onderzoek zijn wij de eersten wereldwijd die vast kunnen stellen of  bloedmerkstoffen die al verkrijgbaar zijn het stellen van de diagnose TIA verbeteren.

Hiervoor hebben wel aanvullende financiering nodig, het liefst via de Stichting Stoffels Hornsta.

De effectiviteit en kosteneffectiviteit van psychosomatische therapie voor patiënten met Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) die hun huisarts veelvuldig bezoeken.

Drs. Margreet S.H. Wortman, Prof. dr. H.E. van der Horst

Een deel van de patiënten die frequent de huisarts bezoeken, heeft lichamelijke klachten, waarvoor de huisarts geen lichamelijke aandoening als afdoende verklaring vindt:  Somatisch Onvoldoende  verklaarde  Lichamelijke  Klachten (SOLK).12  Bij  patiënten met SOLK die frequent de huisarts bezoeken, is er in veel gevallen sprake van psychologische  en/of  sociaal(-economische)  stressoren  of  stressvolle  life events.

Het doel van een behandeltraject is het zelfregulerend vermogen van de patiënt te stimuleren met beter functioneren tot gevolg. Uit een onlangs door ons afgeronde gerandomiseerde pilot-trial, ‘Brief Multimodal Psychosomatic Therapy in patients with medically unexplained symptoms’ blijkt dat psychosomatische therapie een klinisch betekenisvolle verbetering van symptomen van SOLK bij patiënten in de eerste lijn kan opleveren.

Doelstelling(en) onderzoeksproject:
Het doel van dit onderzoek is de effectiviteit en kosteneffectiviteit van de psychosomatische therapie voor patienten met SOLK te onderzoeken.

Naast de kwantitatieve effectiviteitsstudie voeren we een procesevaluatie uit om a) na te gaan welke modules daadwerkelijk worden ingezet, b) de meest werkzame elementen van de psychosomatische therapie te identificeren en c) inzicht te krijgen welke   patiënten vooral baat kunnen hebben bij deze aanpak. We zullen in een kwalitatief deelproject de ervaringen van patiënten in kaart brengen als verdieping van onderdelen b) en c).

Studieopzet

We zetten een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT) op dat plaats zal vinden  binnen de eerste  lijn waarbij  totaal  16    huisartsenpraktijken  worden gerandomiseerd in een interventiegroep  (psychosomatische  therapie  naast de gebruikelijke huisartsenzorg)  of  een  controlegroep  (gebruikelijke  huisartsenzorg).  Aan elke huisartsenpraktijk is een psychosomatisch therapeut gelieerd. Er zijn 75 patiënten nodig  per  behandelarm verdeeld  over  8 praktijken.

We volgen alle patiënten één jaar en patiënten beantwoorden vragenlijsten bij aanvang en na 3, 6 en 12    maanden.

De primaire uitkomstmaat is door de patiënt ervaren beperkingen in het functioneren gemeten met de Patiënt Specifieke Klachtenlijst (PSK).

Procesevaluatie

Het doel van de procesevaluatie is het exploreren van de ‘black box’ van de interventie. Door het in kaart brengen welke modules van de interventie worden toegepast, wat de redenen voor keuze zijn, wat hiermee de ervaringen zijn van zowel de therapeuten als de patiënten en het identificeren van de meest werkzame elementen van de psychosomatische therapie, krijgen we inzicht in welke patiënten het meeste baat zullen hebben bij deze aanpak en kunnen we de interventie, waar nodig, verbeteren

Het totaal gevraagde subsidiebedrag aan de Stichting Stoffels­ Hornstra bedraagt € 146.230,10 voor de gehele projectduur. Dit betreft vooral de salariskosten van een onderzoeksassistent, materiële kosten zoals een deel van de kosten voor de digitale vragenlijsten en database.

De impact van cumulatieve blootstelling aan anticholinerge en sederende medicijnen op de zelfredzaamheid van kwetsbare oudere patiënten: onderzoek naar de ‘Drug Burden Index’

Hans Wouters, Katja Taxis, Hein van Hout, Jos van Campen, Claudine Lamoth, Petra DenigMartina Teichert,

Oudere patiënten worden veelvuldig behandeld met anticholinerge en sederende medicijnen. Naar schatting wordt ruim een kwart van de ouderen met anticholinerge medicijnen 1 en bijna een derde met benzodiazepines 2 behandeld. Deze medicijnen brengen vaak cognitieve stoornissen met zich mee, verergeren mogelijk beginnende dementie, 3-4  verminderen daarnaast het fysiek functioneren en verhogen het valrisico. 5 Daarmee verminderen deze medicijnen de zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen. 6 Met behulp van de Drug Burden Index (DBI) 7 kan de cumulatieve blootstelling aan anticholinerge en sederende medicijnen worden bepaald om daarmee na te gaan welke oudere patiënten een extra verhoogd risico hebben op bijvoorbeeld cognitieve stoornissen of op vallen. Meerdere onderzoeken wijzen uit dat een hoge DBI-waarde is geassocieerd met cognitieve stoornisssen, een verhoogd valrisico, verminderd fysiek functioneren, een verminderde kwaliteit van leven en een verhoogd risico op ziekenhuisopname. 8-13 Belangrijk daarbij om te vermelden is dat in deze onderzoeken doorgaans werd gecorrigeerd voor co-morbiditeit bijv. met de ‘Charlson’s co-morbidity index’ en dat na correctie hiervoor verbanden bleven bestaan tussen een hoge DBI-waarde en de bovengenoemde nadelige uitkomsten voor de mentale en fysieke gezondheid van ouderen. Daarmee zijn de gevonden associaties niet simpelweg te verklaren als het resultaat van multi-morbiditeit en een daarmee gepaard gaande behandeling met meerdere medicijnen.

Doelstelling(en) onderzoeksproject

  • 1. De voorspellende waarde van de Drug Burden Index onderzoeken door in longitudinaal onderzoek te kijken of hogere Drug Burden Index waarden tot een verslechtering leiden van de mentale en fysieke gezondheid en tevens verminderde zelfredzaamheid van ouderen o.a. cognitieve problemen, valrisico, verminderde loopvaardigheid, ziekenhuisbezoek en problemen met betrekking tot het uitvoeren van de activiteiten van het dagelijks leven.
  • 2. De DBI vergelijken tussen patiënten met en zonder de ziekte van Alzheimer en onderzoeken of verhoogde Drug Burden Index waarden meer risicovol zijn voor mensen met dementie dan voor mensen zonder dementie voor het cognitief functioneren en het kunnen uitvoeren van de activiteiten van het dagelijks leven.
  • 3. Het verrichten van een exploratief praktijkonderzoek naar het gebruik van de Drug Burden Index als screeningsinstrument voor het identificeren van kwetsbare patiënten en het selecteren van deze patiënten voor medicatie reviews.

Uitkomsten

  • cognitieve functie (LASA)
  • activiteiten van het dagelijks leven (InterRAI)
  • valincidenten (InterRAI)
  • loop- en balanstests (LASA)
  • loopsnelheid (InterRAI)
  • ziekenhuisbezoek (InterRAI)

Het effect van pijn op het cognitief functioneren van ouderen.

Aanvrager: Guusje van der Leeuw, Arts in opleiding tot huisarts en onderzoeker (AIOTHO) VU Medisch Centrum

Recent onderzoek van de Amerikanse onderzoeksgroep met wie we samen dit project uitvoeren, laat een matig sterke associatie zien tussen pijn en cognitief functioneren. In een groot cohort van patiënten van 70 jaar en ouder, geïncludeerd in de ‘MOBILIZE Boston’ studie, is pijn gemeten met de ‘Brief Pain Inventory’.

Het onderzoek toont een associatie bij ouderen van de mate van pijn en de interferentie van pijn met activiteit, stemming, lopen, werk, relaties, slaap en levensgenot, en cognitief functioneren in het domein van geheugen en uitvoerende taken. Wanneer demografische en gezondheidskarakteristieken werden meegenomen in de analyses, veranderden de eerder geobserveerde associaties, waarbij een groot deel van de statistisch significante associaties verdwenen. De associatie tussen de interferentie van pijn met diverse activiteiten en de algemene maat van cognitief functioneren (‘general cognitive function ‘) bleef wel statistisch significant.

Waarschijnlijk zijn er diverse factoren en biomarkers die de relatie tussen pijn en cognitief functioneren beïnvloeden, waar inflammatie (ontsteking) er mogelijk een van is. Naast inflammatie, is een depressieve stoornis een mogelijke mediator.

In het voorgestelde onderzoeksproject willen we de correlatie tussen pijn en cognitief functioneren bij ouderen nagaan door zowel een cross-sectionele als een longitudinale analyse uit te voeren, om te bekijken of de associatie tijdelijk is of persisteert na 1jaar. We gaan na of een depressieve stoornis en inflammatie de associatie mediëren. Inzicht in deze verbanden kan meer informatie bieden over het cognitief functioneren.

Doelstelling:

  1. Nagaan in welke mate pijn en cognitief functioneren bij ouderen samenhangen, in twee onafhankelijke datasets.

  2. Nagaan in welke mate pijn en cognitief functioneren samenhangen na 1 jaar follow-up en te onderzoeken of de samenhang sterker wordt in de tijd.

  3. Nagaan of inflammatie en depressie de associatie tussen pijn en cognitief functioneren  beïnvloeden.

In ons project maken we gebruik van reeds verzamelde Amerikaanse data. Deze resultaten zijn vervolgens ook bruikbaar in Nederland.

Als uitkomstmaat kijken we naar cognitief functioneren, op multipele domeinen, zoals aandacht, uitvoerende taken en geheugen

 

‘Parkinson patiënt en huisarts aan zet: een hulpmiddel voor patiënten met de ziekte van Parkinson om bij veranderingen in het ziektebeloop de regie te behouden’.

Prof. WJJ Assendelft,  Prof. ALM Lagro-Janssen, Drs. AOA Plouvier, Prof. B. Bloem, Radboutumc; Werkgroep Parkinson Vereniging: Dr C Struiksma

 Verslechtering van het ziektebeeld leidt vaak tot een uitbreiding van de hoeveelheid zorg en inzet van meer gespecialiseerde en duurdere zorg, waarbij het gevaar dreigt dat zaken onnodig worden overgedaan, zoals onderzoek dat in het voortraject al heeft plaatsgevonden. Uit de ervaringen van leden van de Parkinson Vereniging en uit onze eerdere onderzoeken naar het diagnostisch proces bij Parkinson, komt naar voren dat patiënten juist tijdens deze veranderingen (transities) het gevoel hebben dat er voornamelijk voor hen, over hen, maar bijna altijd zonder hen allerlei beslissingen genomen worden. Parkinsonpatienten spreken de wens uit dat er veel beter naar hen wordt geluisterd, en dichten de huisarts daarbij een belangrijke rol toe om hen te faciliteren te helpen bij het verwoorden van behandeldoelen.

Doelstelling(en) onderzoeksproject:  

Een optimale kwaliteit van leven door verbetering van de autonomie en vaardigheden van patiënten met de ziekte van Parkinson.

Het concrete doel is het ontwikkelen van vaardigheden, getransformeerd naar een instrument (handvatten zoals bijvoorbeeld een stappenplan of een toolkit), dat patiënten (m/v) toerust om zoveel mogelijk regie te houden bij veranderingen in hun ziektebeloop (transities) en de daarmee samenhangende zorg.

Werkwijze:

We doen dit in nauwe samenwerking met de doelgroep. Daartoe wordt via en met de patiëntenvereniging een panel samengesteld. Samen met dit panel (30 patiënten met de ZvP) wordt dit instrument gemaakt. De vorm, bijvoorbeeld een stappenplan, of een wijzer met handvatten of een toolkit, of anderszins, zal gedurende het project ontwikkeld worden. Dit instrument wordt in een continue wederkerig proces geëvalueerd (gedurende een jaar) op inhoud, acceptatie en bruikbaarheid. Met deze feedback wordt het instrument aangepast en uiteindelijk geïmplementeerd.

 

‘Calamiteiten bij acute hart- en vaatziekten op de huisartsenpost’: Deelonderzoek van het onderzoeksproject “Safety First”

Dr. Dorien LM Zwart en Dr. Frans H Rutten, UMC Utrecht, Julius Centrum

 Doelstelling(en) onderzoeksproject:

1.            Inventarisatie van de (patiënt) karakteristieken bij calamiteiten op huisartsenposten in de regio Utrecht waarbij het gaat om een gemist hartinfarct, een gemiste beroerte, of een gemist AAAA.

2.            Vergelijking maken met patiënten met dezelfde symptomatologie waarbij echter niet een van deze drie acute cardiovasculaire gebeurtenissen werd gemist.

 

Activiteiten:

               Deelstudie 1: Observationeel onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van de calamiteitenregistratie van de Stichting Primair Huisartsenposten Utrecht. Het gaat om calamiteiten uit de periode 2012-2016.

              Deelstudie 2: Case-control studie waarbij het diagnostisch proces bij patiënten met een gemiste diagnose hartinfarct, leidend tot een calamiteit, wordt vergeleken met dat van patiënten met vergelijkbare klachten, waarbij er geen sprake is van een calamiteit.

               Deelstudie 3: Case-control studie waarbij het diagnostisch proces bij patiënten met een gemiste diagnose beroerte, leidend tot een calamiteit, wordt vergeleken met dat van patiënten met vergelijkbare klachten, waarbij er geen sprake is van een calamiteit .

              Deelstudie 4: Case-control studie waarbij het diagnostisch proces bij patiënten met een gemiste diagnose AAAA, leidend tot een calamiteit, wordt vergeleken met dat van patiënten met vergelijkbare klachten, waarbij er geen sprake is van een calamiteit.

 

                “Safety First” is een regionaal project in de provincie Utrecht, bij 9 huisartsenposten aangesloten bij de Stichting Primair Huisartsenposten. “Safety First” beoogt:

1.            Het beschrijven, begrijpen en verbeteren van het diagnostisch proces, de urgentiebepaling en de patiëntveiligheid bij telefonische triage van patiënten verdacht voor een hartinfarct of een beroerte.

2.            Kennis vergaren over de invloed van cognitieve bias tijdens telefonische triage en identificeren van mogelijke aangrijpingspunten voor verbetering van de kwaliteit en patiëntveiligheid van telefonische triage.

3.            Aanbevelingen formuleren voor de ontwikkeling van onderwijs aan triagisten en huisartsen (in opleiding) over cognitieve bias.

 

Informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweede lijn voorafgaand aan en tijdens de start van de behandelingen van mamma-, colorectaal en longcarcinoom

Dr. A.J. Berendsen

Uit onderzoek naar de rol van de huisarts tijdens de behandelfase van mamma- en colorectaal carcinoom blijkt dat patiënten tijdens deze fase – het eerste jaar na de diagnose – tweemaal zo vaak contact met hun huisartsenpraktijk hebben als een controlegroep. Ook krijgen zij significant vaker medicatie voorgeschreven.1-2 Dit onderzoek werd gesubsidieerd door de stichting Stoffels-Hornstra, evenals een onderzoek naar de mate van en redenen voor zorggebruik in de tijd voorafgaand aan de diagnose colorectaal carcinoom (lopend onderzoek).

Vanuit het perspectief van patiënten die zijn gediagnosticeerd met kanker is er behoefte aan continuïteit van zorg.3-5 Dit geldt zowel voor specialistische zorg binnen het ziekenhuis als voor generalistische zorg in de huisartspraktijk, waaronder zorg voor comorbiditeit en psychosociale zorg.3

De tevredenheid van de patiënt over zijn of haar behandeling neemt toe naarmate zorgverleners in de eerste en tweede lijn beter met elkaar communiceren.7 Zowel de verwijsbrief van de huisarts als de terugrapportage van de specialist dienen adequaat te zijn opgesteld.

Uit een pilot onderzoek in het UMCG van dossiers van patiënten met mamma- en colorectaal carcinoom blijkt dat huisartsen hun patiënten meestal hebben verwezen via Zorgdomein. Daarbij wordt een gestructureerde indeling gebruikt.

De diagnose, het beleid en de mogelijke bijwerkingen worden veelal besproken. Het is echter niet altijd duidelijk of het beleid palliatief of curatief in opzet is en of er andere behandelopties zijn. Aanbevelingen, verzoeken of adviezen aan de huisarts ontbreken veelal. Soms worden afkortingen gebruikt die niet nader worden uitgelegd. Nader onderzoek is nodig om inzicht te krijgen in de huidige en gewenste informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweedelijn om verbeteringen mogelijk te maken.

Totale looptijd van het project: 36 maanden

Doelstellingen

1.            Inzicht krijgen in de huidige informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweede lijn voorafgaand aan en tijdens de start van de behandelingen van mamma-, colorectaal en longcarcinoom.

2.            Consensus bereiken onder huisartsen, specialisten en patiënten(vertegenwoordigers) over de gewenste informatie-uitwisseling; indien mogelijk generiek of anders per tumortype.

Verwijzing huisarts

Ad 1. Wat is de lengte, structuur en inhoud van de verwijsbrief (bijv.: klacht/ vraagstelling, anamnese, onderzoek, relevante co-morbiditeit, voorgeschiedenis, medicatie, allergieën)?


De rol van de huisarts in de periode voorafgaand aan de diagnose colorectaal carcinoom (CRC)

 

Prof. dr. M.Y. Berger, prof. dr. G.H. de Bock Dr. A.J. Berendsen, ir. C. Roorda-Lukkien

 Uit onderzoek naar de rol van de huisarts tijdens de acute fase (behandelfase) van colorectaal carcinoom (CRC) blijkt dat patiënten met CRC tijdens deze fase – het eerste jaar na de diagnose – vaker contact hebben met hun huisartspraktijk, vaker medicatie krijgen voorgeschreven en vaker verwezen worden dan controlepatiënten.1 Dit onderzoek is gesubsidieerd door de stichting Stoffels- Hornstra. Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat, vergeleken met controlepatiënten, de patiënten met CRC in het gehele jaar voorafgaand aan de diagnose significant meer zorg gebruiken in de huisartspraktijk. Dit verhoogde zorggebruik in het jaar voor de diagnose werd niet gezien bij patiënten met mammacarcinoom.

Doelstelling(en) onderzoeksproject      Inzicht verkrijgen in het verloop en de aard van het eerstelijns zorggebruik in de tijd voorafgaand aan de diagnose CRC. 

Onderzoeksvragen

              Hoe is het verloop van het zorggebruik van patiënten met CRC voorafgaand aan de diagnose? Vanaf welk moment vindt er een toename plaats?

              Hoe vaak hebben patiënten contact met hun huisartspraktijk, krijgen zij medicatie voorgeschreven en worden zij verwezen in de tijd (maanden/jaren) voorafgaand aan de diagnose CRC?

              Hoeveel patiënten hebben contact met hun huisartspraktijk, krijgen medicatie voorgeschreven en worden verwezen in de tijd voorafgaand aan de diagnose CRC?

              Om welke redenen hebben patiënten met CRC contact met hun huisartspraktijk, krijgen zij medicatie voorgeschreven en worden zij verwezen vanwege klachten gerelateerd aan CRC (uitgaande van ICPC en ATC codes)?

              Voor welke ‘alarmsymptomen’ hebben patiënten contact met hun huisartspraktijk?

 

Ervaringen van patienten en POH’s met de begeleide zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte”,uitgevoerd in de eerstelijn

 

Dr. Agnes van der Poel

Toegevoegd als deelproject aan VU-promotieonderzoek “Step-Dep” (gefinancierd door ZonMw),Leren leven met een chronische ziekte

In 1998 werd de zelfhulpcursus ” leren leven met een chronische ziekte” ontwikkeld, gebaseerd op de effectieve depressiepreventie cursus “Omgaan met   depressie”. In 2002 heeft het Trimbos-instituut “Leren leven met een chronische ziekte” verbeterd en landelijk geïimplementeerd in het GGZ-preventieveld (tweedelijnszorg).

Inmiddels zijn we weer 10 jaar verder en is er veel veranderd in de   gezondheidszorg.  Met de komst van het vernieuwde zorglandschap va!t onder andere geïndiceerde depressiepreventie onder de huisartsenzorg, en is het vanaf 1 januari 2014 mogelijk geworden om interventies voor (lichte) psychische klachten aan te bieden vanuit de basisverzekering. Ook neemt het aantai patienten methart- en vaatziekten en diabetes toe, net als het aantal patienten met co-morbide depressieve  klachten.

Het Step-Dep promotieonderzoek heeft de zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte” geselecteerd om aan patienten met hart- en vaatziekten en/of diabetes in de eerstelijnszorg aan te bieden als tweede stap in het stepped-care depressie programma,

Het doel van dit project is inzicht te krijgen in de verwachtingen en ervaringen van patienten en POH’s omtrent de begeleide zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte”,om daarmee de cursus aan te passen voor een bredere implementatie in de eerstelijnszorg,

Vraagstellingen Voor patienten:

1. Wat zijn de ervaringen van patienten die de begeleide zelfhulpcursus

“Leren leven met een chronische ziekte” gevolgd hebben?

2.            Hoe tevreden zijn patienten over de begeleiding die zij ontvangen bij de cursus “Leren !even met een chronische ziekte’?

3.            Ervaren patienten verbeteringen in de omgang met hun aandoening na het volgen van de cursus “Leren leven met een chronische ziekte” 

4.            Wat zijn verbeterpunten volgens de patient voor de cursus “Leren leven met een chronische ziekte” en voor de begeleiding door de POH?

5.            Welke verschillen zijn er in ervaringen tussen patienten die wel,enigszins of geen baat hebben gehad bij de cursus? Welke verschillen zijn er tussen patienten met de verschillende chronische aandoeningen?

 

Voor POH’s:

1. Wat zijn de verwachtingen (vooraf) en ervaringen (tijdens en na) van POH’s die de cursus “Leren !even met een chronische ziekte” begeleiden?

2.            Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor het begeleiden van patienten?

3.            Wat hebben POH’s nodig om de cursus goed aan te bieden en te begeleiden? Denk aan enerzijds verbeterpunten voor de (algemene) training aan POH’s en voor de begeleiding van patienten door POH’s en intervisie, anderzijds aan organisatorische aspecten.