Maandelijks archief: juli 2019

Externe validatie van drie voorspellende modellen voor het risico op hart- en vaatziekten in de eerste lijn in Nederland.

Dr. M.C.J. Biermans

Externe validatie van drie voorspellende modellen voor het risico op hart- en vaatziekten in de eerste lijn in Nederland

Preventieve behandelingskeuzes voor hart- en vaatziekten (HVZ) worden doorgaans gebaseerd op voorspellende modellen en gepresenteerd als risicotabellen. In Nederland is de risicotabel voor het 10-jaarsrisico op fatale en non-fatale HVZ gebaseerd op het Systematic COronary Risk Evaluation (SCORE. Het Framingham model is een ander veelgebruikt model.

Toepassing van deze modellen in een andere populatie of een andere tijdsperiode vereist een gecompliceerde aanpassing van het model. Onlangs is een nieuw model, Globorisk, ontwikkeld dat, in vergelijking met SCORE-NL en Framingham, eenvoudiger geüpdate kan worden.

Doelstelling(en) onderzoeksproject: Het bepalen en vergelijken van de externe validiteit van de predictiemodellen Globorisk, SCORE-NL en Framingham in Nederlandse patiënten in de eerste lijn.

“Welke biomarkers zijn nuttig bij de diagnostiek van TIA in de huisartspraktijk?”

Dr. F.H. Rutten

Een ‘transient ischaemic attack (TIA)’ is een kortdurende doorbloedingsstoornis in de hersenen. Het is te beschouwen als een ‘waarschuwingsherseninfarct’ waarbij er nog geen blijvende hersenschade is opgetreden en de klachten en verschijnselen zonder restverschijnselen verdwijnen binnen 24 uur. Een TIA kan beschouwd worden als ‘een waarschuwing’ die onbehandeld kan leiden tot een herseninfarct binnen enkele dagen tot weken. Indien wel behandeld met bloedplaatjesremmers, bloeddrukverlagers en cholesterolverlagers kan dit risico met 80% afnemen!

Herkennen van een TIA is dan ook erg belangrijk.

Dit is echter moeilijk voor zowel patiënt als arts, omdat klachten en verschijnselen abrupt beginnen en vaak slechts enkele minuten aanwezig zijn. De patiënt zoekt bijna altijd eerst contact met de huisarts en deze heeft momenteel niet meer ter beschikking dan het verhaal van de patiënt aangevuld met gerichte vragen (anamnese) en het lichamelijk onderzoek. Zoals gezegd zijn vaak de klachten en verschijnselen verdwenen op het moment van het eerste onderzoek. Indien de huisarts denkt aan een TIA, zal hij/zij de patiënt verwijzen naar een TIA-poli. Aldaar zullen ze ook de anamnese afnemen en de hersenen in beeld brengen. Bij beeldvorming is nog geen schade te zien in geval van een TIA, wel als het een herseninfarct betreft.

Dus ook voor de neuroloog is de diagnose TIA moeilijk te stellen. Soms is dan ook de conclusie ‘mogelijk TIA’ of ‘waarschijnlijk TIA’.

Een bloedmerkstof (biomarker) die helpt om de diagnose met meer zekerheid te stellen, zou dan ook enorm behulpzaam zijn voor zowel huisarts als neuroloog op de TIA-poli.

Vraagstelling: Wat is de (toegevoegde) diagnostische waarde van bloedmerkstoffen bij patiënten die door de huisarts worden verdacht van een TIA?

We willen dit nagaan bij 206 patiënten verdacht van een TIA die we al ‘in kaart hebben gebracht’ en van wie we bloed hebben verzameld. Het oordeel van een panel van 3 expert neurologen is de ‘gouden standaard’. Volgens hen had 61% werkelijk een TIA en 39% niet.

Met ons onderzoek zijn wij de eersten wereldwijd die vast kunnen stellen of  bloedmerkstoffen die al verkrijgbaar zijn het stellen van de diagnose TIA verbeteren.

Hiervoor hebben wel aanvullende financiering nodig, het liefst via de Stichting Stoffels Hornsta.

De effectiviteit en kosteneffectiviteit van psychosomatische therapie voor patiënten met Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) die hun huisarts veelvuldig bezoeken.

Drs. Margreet S.H. Wortman, Prof. dr. H.E. van der Horst

Een deel van de patiënten die frequent de huisarts bezoeken, heeft lichamelijke klachten, waarvoor de huisarts geen lichamelijke aandoening als afdoende verklaring vindt:  Somatisch Onvoldoende  verklaarde  Lichamelijke  Klachten (SOLK).12  Bij  patiënten met SOLK die frequent de huisarts bezoeken, is er in veel gevallen sprake van psychologische  en/of  sociaal(-economische)  stressoren  of  stressvolle  life events.

Het doel van een behandeltraject is het zelfregulerend vermogen van de patiënt te stimuleren met beter functioneren tot gevolg. Uit een onlangs door ons afgeronde gerandomiseerde pilot-trial, ‘Brief Multimodal Psychosomatic Therapy in patients with medically unexplained symptoms’ blijkt dat psychosomatische therapie een klinisch betekenisvolle verbetering van symptomen van SOLK bij patiënten in de eerste lijn kan opleveren.

Doelstelling(en) onderzoeksproject:
Het doel van dit onderzoek is de effectiviteit en kosteneffectiviteit van de psychosomatische therapie voor patienten met SOLK te onderzoeken.

Naast de kwantitatieve effectiviteitsstudie voeren we een procesevaluatie uit om a) na te gaan welke modules daadwerkelijk worden ingezet, b) de meest werkzame elementen van de psychosomatische therapie te identificeren en c) inzicht te krijgen welke   patiënten vooral baat kunnen hebben bij deze aanpak. We zullen in een kwalitatief deelproject de ervaringen van patiënten in kaart brengen als verdieping van onderdelen b) en c).

Studieopzet

We zetten een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT) op dat plaats zal vinden  binnen de eerste  lijn waarbij  totaal  16    huisartsenpraktijken  worden gerandomiseerd in een interventiegroep  (psychosomatische  therapie  naast de gebruikelijke huisartsenzorg)  of  een  controlegroep  (gebruikelijke  huisartsenzorg).  Aan elke huisartsenpraktijk is een psychosomatisch therapeut gelieerd. Er zijn 75 patiënten nodig  per  behandelarm verdeeld  over  8 praktijken.

We volgen alle patiënten één jaar en patiënten beantwoorden vragenlijsten bij aanvang en na 3, 6 en 12    maanden.

De primaire uitkomstmaat is door de patiënt ervaren beperkingen in het functioneren gemeten met de Patiënt Specifieke Klachtenlijst (PSK).

Procesevaluatie

Het doel van de procesevaluatie is het exploreren van de ‘black box’ van de interventie. Door het in kaart brengen welke modules van de interventie worden toegepast, wat de redenen voor keuze zijn, wat hiermee de ervaringen zijn van zowel de therapeuten als de patiënten en het identificeren van de meest werkzame elementen van de psychosomatische therapie, krijgen we inzicht in welke patiënten het meeste baat zullen hebben bij deze aanpak en kunnen we de interventie, waar nodig, verbeteren

Het totaal gevraagde subsidiebedrag aan de Stichting Stoffels­ Hornstra bedraagt € 146.230,10 voor de gehele projectduur. Dit betreft vooral de salariskosten van een onderzoeksassistent, materiële kosten zoals een deel van de kosten voor de digitale vragenlijsten en database.

De impact van cumulatieve blootstelling aan anticholinerge en sederende medicijnen op de zelfredzaamheid van kwetsbare oudere patiënten: onderzoek naar de ‘Drug Burden Index’

Hans Wouters, Katja Taxis, Hein van Hout, Jos van Campen, Claudine Lamoth, Petra DenigMartina Teichert,

Oudere patiënten worden veelvuldig behandeld met anticholinerge en sederende medicijnen. Naar schatting wordt ruim een kwart van de ouderen met anticholinerge medicijnen 1 en bijna een derde met benzodiazepines 2 behandeld. Deze medicijnen brengen vaak cognitieve stoornissen met zich mee, verergeren mogelijk beginnende dementie, 3-4  verminderen daarnaast het fysiek functioneren en verhogen het valrisico. 5 Daarmee verminderen deze medicijnen de zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen. 6 Met behulp van de Drug Burden Index (DBI) 7 kan de cumulatieve blootstelling aan anticholinerge en sederende medicijnen worden bepaald om daarmee na te gaan welke oudere patiënten een extra verhoogd risico hebben op bijvoorbeeld cognitieve stoornissen of op vallen. Meerdere onderzoeken wijzen uit dat een hoge DBI-waarde is geassocieerd met cognitieve stoornisssen, een verhoogd valrisico, verminderd fysiek functioneren, een verminderde kwaliteit van leven en een verhoogd risico op ziekenhuisopname. 8-13 Belangrijk daarbij om te vermelden is dat in deze onderzoeken doorgaans werd gecorrigeerd voor co-morbiditeit bijv. met de ‘Charlson’s co-morbidity index’ en dat na correctie hiervoor verbanden bleven bestaan tussen een hoge DBI-waarde en de bovengenoemde nadelige uitkomsten voor de mentale en fysieke gezondheid van ouderen. Daarmee zijn de gevonden associaties niet simpelweg te verklaren als het resultaat van multi-morbiditeit en een daarmee gepaard gaande behandeling met meerdere medicijnen.

Doelstelling(en) onderzoeksproject

  • 1. De voorspellende waarde van de Drug Burden Index onderzoeken door in longitudinaal onderzoek te kijken of hogere Drug Burden Index waarden tot een verslechtering leiden van de mentale en fysieke gezondheid en tevens verminderde zelfredzaamheid van ouderen o.a. cognitieve problemen, valrisico, verminderde loopvaardigheid, ziekenhuisbezoek en problemen met betrekking tot het uitvoeren van de activiteiten van het dagelijks leven.
  • 2. De DBI vergelijken tussen patiënten met en zonder de ziekte van Alzheimer en onderzoeken of verhoogde Drug Burden Index waarden meer risicovol zijn voor mensen met dementie dan voor mensen zonder dementie voor het cognitief functioneren en het kunnen uitvoeren van de activiteiten van het dagelijks leven.
  • 3. Het verrichten van een exploratief praktijkonderzoek naar het gebruik van de Drug Burden Index als screeningsinstrument voor het identificeren van kwetsbare patiënten en het selecteren van deze patiënten voor medicatie reviews.

Uitkomsten

  • cognitieve functie (LASA)
  • activiteiten van het dagelijks leven (InterRAI)
  • valincidenten (InterRAI)
  • loop- en balanstests (LASA)
  • loopsnelheid (InterRAI)
  • ziekenhuisbezoek (InterRAI)