Maandelijks archief: oktober 2016

Informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweede lijn voorafgaand aan en tijdens de start van de behandelingen van mamma-, colorectaal en longcarcinoom

Dr. A.J. Berendsen

Uit onderzoek naar de rol van de huisarts tijdens de behandelfase van mamma- en colorectaal carcinoom blijkt dat patiënten tijdens deze fase – het eerste jaar na de diagnose – tweemaal zo vaak contact met hun huisartsenpraktijk hebben als een controlegroep. Ook krijgen zij significant vaker medicatie voorgeschreven.1-2 Dit onderzoek werd gesubsidieerd door de stichting Stoffels-Hornstra, evenals een onderzoek naar de mate van en redenen voor zorggebruik in de tijd voorafgaand aan de diagnose colorectaal carcinoom (lopend onderzoek).

Vanuit het perspectief van patiënten die zijn gediagnosticeerd met kanker is er behoefte aan continuïteit van zorg.3-5 Dit geldt zowel voor specialistische zorg binnen het ziekenhuis als voor generalistische zorg in de huisartspraktijk, waaronder zorg voor comorbiditeit en psychosociale zorg.3

De tevredenheid van de patiënt over zijn of haar behandeling neemt toe naarmate zorgverleners in de eerste en tweede lijn beter met elkaar communiceren.7 Zowel de verwijsbrief van de huisarts als de terugrapportage van de specialist dienen adequaat te zijn opgesteld.

Uit een pilot onderzoek in het UMCG van dossiers van patiënten met mamma- en colorectaal carcinoom blijkt dat huisartsen hun patiënten meestal hebben verwezen via Zorgdomein. Daarbij wordt een gestructureerde indeling gebruikt.

De diagnose, het beleid en de mogelijke bijwerkingen worden veelal besproken. Het is echter niet altijd duidelijk of het beleid palliatief of curatief in opzet is en of er andere behandelopties zijn. Aanbevelingen, verzoeken of adviezen aan de huisarts ontbreken veelal. Soms worden afkortingen gebruikt die niet nader worden uitgelegd. Nader onderzoek is nodig om inzicht te krijgen in de huidige en gewenste informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweedelijn om verbeteringen mogelijk te maken.

Totale looptijd van het project: 36 maanden

Doelstellingen

1.            Inzicht krijgen in de huidige informatie-uitwisseling tussen de eerste en tweede lijn voorafgaand aan en tijdens de start van de behandelingen van mamma-, colorectaal en longcarcinoom.

2.            Consensus bereiken onder huisartsen, specialisten en patiënten(vertegenwoordigers) over de gewenste informatie-uitwisseling; indien mogelijk generiek of anders per tumortype.

Verwijzing huisarts

Ad 1. Wat is de lengte, structuur en inhoud van de verwijsbrief (bijv.: klacht/ vraagstelling, anamnese, onderzoek, relevante co-morbiditeit, voorgeschiedenis, medicatie, allergieën)?


De rol van de huisarts in de periode voorafgaand aan de diagnose colorectaal carcinoom (CRC)

 

Prof. dr. M.Y. Berger, prof. dr. G.H. de Bock Dr. A.J. Berendsen, ir. C. Roorda-Lukkien

 Uit onderzoek naar de rol van de huisarts tijdens de acute fase (behandelfase) van colorectaal carcinoom (CRC) blijkt dat patiënten met CRC tijdens deze fase – het eerste jaar na de diagnose – vaker contact hebben met hun huisartspraktijk, vaker medicatie krijgen voorgeschreven en vaker verwezen worden dan controlepatiënten.1 Dit onderzoek is gesubsidieerd door de stichting Stoffels- Hornstra. Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat, vergeleken met controlepatiënten, de patiënten met CRC in het gehele jaar voorafgaand aan de diagnose significant meer zorg gebruiken in de huisartspraktijk. Dit verhoogde zorggebruik in het jaar voor de diagnose werd niet gezien bij patiënten met mammacarcinoom.

Doelstelling(en) onderzoeksproject      Inzicht verkrijgen in het verloop en de aard van het eerstelijns zorggebruik in de tijd voorafgaand aan de diagnose CRC. 

Onderzoeksvragen

              Hoe is het verloop van het zorggebruik van patiënten met CRC voorafgaand aan de diagnose? Vanaf welk moment vindt er een toename plaats?

              Hoe vaak hebben patiënten contact met hun huisartspraktijk, krijgen zij medicatie voorgeschreven en worden zij verwezen in de tijd (maanden/jaren) voorafgaand aan de diagnose CRC?

              Hoeveel patiënten hebben contact met hun huisartspraktijk, krijgen medicatie voorgeschreven en worden verwezen in de tijd voorafgaand aan de diagnose CRC?

              Om welke redenen hebben patiënten met CRC contact met hun huisartspraktijk, krijgen zij medicatie voorgeschreven en worden zij verwezen vanwege klachten gerelateerd aan CRC (uitgaande van ICPC en ATC codes)?

              Voor welke ‘alarmsymptomen’ hebben patiënten contact met hun huisartspraktijk?

 

Ervaringen van patienten en POH’s met de begeleide zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte”,uitgevoerd in de eerstelijn

 

Dr. Agnes van der Poel

Toegevoegd als deelproject aan VU-promotieonderzoek “Step-Dep” (gefinancierd door ZonMw),Leren leven met een chronische ziekte

In 1998 werd de zelfhulpcursus ” leren leven met een chronische ziekte” ontwikkeld, gebaseerd op de effectieve depressiepreventie cursus “Omgaan met   depressie”. In 2002 heeft het Trimbos-instituut “Leren leven met een chronische ziekte” verbeterd en landelijk geïimplementeerd in het GGZ-preventieveld (tweedelijnszorg).

Inmiddels zijn we weer 10 jaar verder en is er veel veranderd in de   gezondheidszorg.  Met de komst van het vernieuwde zorglandschap va!t onder andere geïndiceerde depressiepreventie onder de huisartsenzorg, en is het vanaf 1 januari 2014 mogelijk geworden om interventies voor (lichte) psychische klachten aan te bieden vanuit de basisverzekering. Ook neemt het aantai patienten methart- en vaatziekten en diabetes toe, net als het aantal patienten met co-morbide depressieve  klachten.

Het Step-Dep promotieonderzoek heeft de zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte” geselecteerd om aan patienten met hart- en vaatziekten en/of diabetes in de eerstelijnszorg aan te bieden als tweede stap in het stepped-care depressie programma,

Het doel van dit project is inzicht te krijgen in de verwachtingen en ervaringen van patienten en POH’s omtrent de begeleide zelfhulpcursus “Leren leven met een chronische ziekte”,om daarmee de cursus aan te passen voor een bredere implementatie in de eerstelijnszorg,

Vraagstellingen Voor patienten:

1. Wat zijn de ervaringen van patienten die de begeleide zelfhulpcursus

“Leren leven met een chronische ziekte” gevolgd hebben?

2.            Hoe tevreden zijn patienten over de begeleiding die zij ontvangen bij de cursus “Leren !even met een chronische ziekte’?

3.            Ervaren patienten verbeteringen in de omgang met hun aandoening na het volgen van de cursus “Leren leven met een chronische ziekte” 

4.            Wat zijn verbeterpunten volgens de patient voor de cursus “Leren leven met een chronische ziekte” en voor de begeleiding door de POH?

5.            Welke verschillen zijn er in ervaringen tussen patienten die wel,enigszins of geen baat hebben gehad bij de cursus? Welke verschillen zijn er tussen patienten met de verschillende chronische aandoeningen?

 

Voor POH’s:

1. Wat zijn de verwachtingen (vooraf) en ervaringen (tijdens en na) van POH’s die de cursus “Leren !even met een chronische ziekte” begeleiden?

2.            Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor het begeleiden van patienten?

3.            Wat hebben POH’s nodig om de cursus goed aan te bieden en te begeleiden? Denk aan enerzijds verbeterpunten voor de (algemene) training aan POH’s en voor de begeleiding van patienten door POH’s en intervisie, anderzijds aan organisatorische aspecten.